Inleiding — Een wereld die haar evenwicht verliest
2025 zal in de geschiedenisboeken niet worden beschreven als een jaar van plotselinge ineenstorting, maar als een jaar waarin de illusie van stabiliteit onherroepelijk verdween. Wat decennialang gold als vanzelfsprekend — de Amerikaanse hegemonie, Europese integratie, multilaterale instituties en een fragiele balans van macht — begon zichtbaar te verschuiven. Het was niet één gebeurtenis die het wereldtoneel veranderde, maar een reeks die elkaar versterkte: van Trump’s tweede inauguratie tot het oplaaien van conflicten in Oekraïne, Gaza en de Indo-Pacific; van de groeiende assertiviteit van China tot de diplomatieke koorts in Alaska; van regionale oorlogen tot technologische strijdvelden waarin AI en cyberspace minstens zo bepalend werden als tanks en artillerie.
2025 was het jaar waarin de geopolitieke tektonische platen begonnen te schuiven. Oude allianties kraakten, nieuwe machten claimden ruimte, en regionale conflicten werden mondiaal in betekenis. Dit overzicht reconstrueert dat jaar — maand voor maand — en verkent de politieke, economische en technologische dynamieken die ons naar een multipolaire wereld duwen waarvan de contouren nog onzeker zijn.
Januari tot Maart: De Nieuwe Startpositie van een Wankele Wereld
Met de inauguratie van Donald Trump op 20 januari voltrok zich formeel de breuk met de liberale internationale orde die sinds 1945 het raamwerk van het Amerikaanse wereldleiderschap had gevormd. Zijn tweede termijn was geen terugkeer van een controversiële president, maar het institutionele moment waarop het Amerikaanse foreign-policy-establishment werd gedwongen te erkennen dat Washington niet langer bereid was het structurele kostenplaatje van globale hegemonie te dragen. Wat decennialang werd gelegitimeerd als stabiliserend leiderschap – militaire aanwezigheid, veiligheidswaarborging, dollarhegemonie en open handelsroutes – werd nu expliciet herdefinieerd als een last zonder proportionele tegenprestatie.
“America First” werd daarmee geen campagneleus meer, maar een strategisch kader. Bondgenootschappen werden niet langer benaderd als pijlers van een normatief wereldsysteem, maar als instrumentele transacties. Veiligheid, markttoegang en diplomatieke steun moesten voortaan aantoonbare wederkerigheid opleveren. Binnen die logica verloor multilateralisme zijn morele vanzelfsprekendheid en werd het herleid tot een optioneel middel. Dat deze herdefiniëring niet slechts retorisch was, bleek uit begrotingskeuzes, herzieningen van defensieprioriteiten en een expliciete afkeer van open-eind-verplichtingen.
De NAVO voelde deze verschuiving als eerste. In toespraken, beleidsnota’s en informele diplomatie werd duidelijk dat de Amerikaanse veiligheidsgarantie aan Europa niet langer als vanzelfsprekend werd beschouwd. De onderliggende boodschap was ondubbelzinnig: collectieve verdediging bleef formeel bestaan, maar werd politiek voorwaardelijk. Europese defensie-onderinvestering, strategische fragmentatie en afhankelijkheid van Amerikaanse capaciteiten werden niet langer gedoogd als structureel gegeven, maar geframed als Europese nalatigheid.
De Münchense Veiligheidsconferentie in februari fungeerde als symbolisch breekpunt. De toespraak van J.D. Vance werd in Europese hoofdsteden ervaren als confronterend en ontluisterend, juist omdat zij geen externe vijand centraal stelde. Niet Rusland of China, maar interne Europese zwakte werd gepresenteerd als de primaire bedreiging voor het continent zelf. Democratische erosie, migratiedruk, economische stagnatie en strategische afhankelijkheid werden niet langer gezien als secundaire beleidsproblemen, maar als veiligheidsrisico’s van de eerste orde.
Deze framing was fundamenteel anders dan eerdere Amerikaanse kritiek. Waar Washington traditioneel Europese tekortkomingen benoemde vanuit een autoritaire beschermingslogica, werd nu afstand genomen van die rol. De trans-Atlantische relatie werd niet beëindigd, maar ontmythologiseerd. Amerikaanse bescherming was geen normatieve belofte meer, maar een onderhandelbare dienst binnen een ruw machtsevenwicht. De impliciete boodschap: wie veiligheid wil, moet zelf macht organiseren.
In Oekraïne veranderde in deze maanden weinig aan de frontlinie, maar des te meer aan het geopolitieke kader waarin de oorlog werd gevoerd. Het conflict bevond zich in een fase van strategische uitputting. Rusland consolideerde bezette gebieden en verlegde de nadruk van offensieve expansie naar defensieve verankering. Oekraïne kampte met afnemende munitievoorraden, personeelsproblemen en slinkend politiek draagvlak in westerse parlementen. Europese steun bleef formeel intact, maar werd intern steeds moeilijker te legitimeren onder druk van begrotingstekorten, energieprijzen en electorale onzekerheid.
Tegelijkertijd gebruikte China deze periode van Amerikaanse heroriëntatie om de strategische dubbelzinigheid rond Taiwan en de Zuid-Chinese Zee verder uit te diepen. Door militaire oefeningen, economische druk en diplomatieke signalen werd twijfel gezaaid over de betrouwbaarheid van Amerikaanse veiligheidsgaranties in de Indo-Pacific. De Amerikaanse binnenlandse verdeeldheid fungeerde daarbij niet als oorzaak, maar als hefboom: onzekerheid werd een strategisch wapen.
De eerste maanden van 2025 maakten zo duidelijk dat de wereld geen stabiel centrum meer had. De Amerikaanse bereidheid om orde te garanderen maakte plaats voor selectieve betrokkenheid. Macht werd niet langer geïnstitutionaliseerd via regels en allianties, maar opnieuw geclaimd, afgedwongen en getest. In die context verschoof internationale politiek van voorspelbaar beheer naar open competitie – niet door een plotselinge systeeminstorting, maar door het wegvallen van de actor die het systeem bereid was te dragen.
April tot Juni: Het Escaleren van Regionale Conflicten
De lente luidde een periode van versnelde escalatie in. Terwijl diplomatie rond Oekraïne verder stagneerde en geen van de strijdende partijen bereid of in staat leek tot concessies, ontbrandde in het Midden-Oosten een directe confrontatie die wereldwijd als schok werd ervaren: een twaalfdaagse oorlog tussen Israël en Iran. Hoewel de duur beperkt bleef, was de impact disproportioneel groot. De strijd markeerde het moment waarop de langdurige schaduwoorlog tussen beide staten openlijk kinetisch werd.
Israël voerde grootschalige luchtoperaties en gerichte cyberaanvallen uit op Iraanse militaire en energie-infrastructuur, met als doel zowel operationele capaciteit als strategische afschrikking te herstellen. Iran reageerde niet primair via conventionele middelen, maar via een gelaagde aanpak: drones, ballistische projectielen en indirecte aanvallen via regionale proxies. Daarmee bleef de confrontatie formeel begrensd, maar inhoudelijk regionaal. Het conflict overschreed al snel de militaire dimensie: energieprijzen stegen scherp, maritieme verzekeringspremies explodeerden en financiële markten reageerden nerveus op de dreiging van verdere escalatie rond kritieke handelsroutes.
Bondgenootschappen werden in deze context expliciet getest. De Verenigde Staten boden Israël politieke en militaire rugdekking, maar deden dat met zichtbare terughoudendheid, ingegeven door binnenlandse verdeeldheid en de wens om directe betrokkenheid te beperken. Regionale actoren balanceerden tussen stilzwijgende steun, diplomatieke afzijdigheid en openlijke veroordeling, wat de fragmentatie van het Midden-Oosterse machtsevenwicht verder blootlegde.
Europese Unie, geconfronteerd met een nieuwe brandhaard aan haar zuidoostelijke bijkomstigheid, kon weinig meer doen dan observeren. Retoriek over strategische autonomie contrasteerde scherp met de feitelijke machteloosheid om zelfstandig invloed uit te oefenen op de-escalatie of crisismanagement. Diplomatieke initiatieven bleven versnipperd, militair-politieke middelen beperkt. De crisis onderstreepte hoezeer Europa, ondanks jarenlange ambities, nog steeds structureel afhankelijk was van Amerikaanse besluitvorming en capaciteit.
Tegelijkertijd bleef het Oekraïense front bewegen zonder dat het conflict richting een strategische doorbraak ging. De combinatie van oorlogsmüdheid, budgettaire druk en electorale onzekerheid leidde binnen de NAVO tot groeiende interne spanningen. Niet alleen de middelen, maar ook de doelstellingen kwamen ter discussie te staan. Was het doel territoriaal herstel, strategische uitputting van Rusland, of louter het voorkomen van verdere escalatie? Over die vraag bestond steeds minder consensus, terwijl de kosten van voortzetting steeds zichtbaarder werden.
Ondertussen ontvouwde zich buiten de grote conflicttheaters een reeks kleinere, maar betekenisvolle spanningen in Azië en Zuid-Azië. India en Pakistan raakten opnieuw verwikkeld in grensclashes in Kasjmir, waarbij lokale incidenten steeds sneller geopolitieke lading kregen. In Zuidoost-Azië laaiden oude territoriale en waterconflicten tussen Cambodja en Thailand rond de Mekong-regio opnieuw op, gevoed door klimaatdruk, economische belangen en afnemende regionale bemiddeling. Het aanhoudende conflict in Myanmar destabiliseerde migratiestromen en ondermijnde de toch al zwakke cohesie binnen ASEAN.
Op zichzelf bleven deze conflicten vaak onder de internationale radar, maar in samenhang vormden zij een herkenbaar patroon. Niet een nieuwe stabiele multipolariteit, maar een gefragmenteerde wereldorde waarin machtsvacua opportunisme aanmoedigden en lokale actoren steeds minder werden afgeremd door internationale normen of effectieve bemiddeling. De internationale orde bleek niet alleen zwakker, maar ook poreuzer dan lange tijd werd aangenomen: conflicten hoefden niet langer groot te zijn om systemische gevolgen te hebben.
Juli tot September: Diplomatie Zonder Vertrouwen
De zomer van 2025 werd gedomineerd door één diplomatieke gebeurtenis die internationaal uitzonderlijk hoge verwachtingen wekte: de geplande ontmoeting tussen Donald Trump en Vladimir Poetin in Alaska op 15 augustus. De keuze voor locatie was veelzeggend: geografisch nabij, historisch beladen en symbolisch neutraal terrein tussen twee machten die elkaar tegelijkertijd wantrouwden en nodig hadden. In de weken voorafgaand aan de top werd druk gespeculeerd over de inzet. Zou Washington proberen een deal te sluiten die het conflict in Oekraïne zou bevriezen? En zo ja, tegen welke prijs? In Europese hoofdsteden en in Kiev groeide de vrees dat territoriale concessies stilzwijgend bespreekbaar waren geworden.
Toen de ontmoeting daadwerkelijk plaatsvond, bleek het resultaat op papier beperkt. Er werd geen vredesakkoord gesloten, geen concreet stappenplan aangekondigd en geen gezamenlijke verklaring ondertekend die verder ging dan algemene intenties. Toch was de impact van de top aanzienlijk. Het belangrijkste resultaat was niet wat werd afgesproken, maar dat de ontmoeting überhaupt plaatsvond. Washington erkende Moskou opnieuw als gesprekspartner op het hoogste niveau, los van de uitkomst.
Voor Rusland betekende dit een strategische overwinning. De isolatie die sinds het begin van de oorlog was nagestreefd, bleek niet langer houdbaar. Door Poetin te ontvangen zonder voorafgaande concessies, legitimeerde de Verenigde Staten impliciet Rusland’s positie als onmisbare grootmacht binnen het mondiale machtsspel. Het signaal was helder: Rusland kon worden bekritiseerd, gesanctioneerd en tegengewerkt, maar niet genegeerd.
Voor Oekraïne daarentegen was de boodschap ontluisterend. De top bevestigde dat de Verenigde Staten hun rol als onvoorwaardelijke steunpilaar hadden losgelaten. Kiev bleef formeel een partner, maar niet langer het morele zwaartepunt van het Amerikaanse buitenlandbeleid. De mogelijkheid dat het conflict zou worden “gemanaged” in plaats van opgelost – zelfs tegen Oekraïense belangen in – werd voor het eerst openlijk realistisch.
Voor Europa fungeerde de top als een strategische wake-up call. In de dagen en weken na Alaska reisden verschillende Europese leiders naar Washington om te pleiten voor blijvende betrokkenheid, veiligheidsgaranties en beleidsafstemming. De onderliggende angst was dat Europa buiten de grote besluiten zou worden gehouden over een oorlog die zich op zijn eigen continent afspeelde. Binnen de Europese Unie groeide het besef dat het lot van het continent niet langer automatisch samenviel met Amerikaanse prioriteiten. Strategische autonomie werd daarmee niet langer een abstract ideaal, maar een urgent dilemma zonder duidelijke oplossing.
Parallel aan dit geopolitieke drama voltrok zich een minder zichtbaar, maar structureel belangrijker proces. Niet-westerse samenwerkingsverbanden als BRICS en de Shanghai Cooperation Organisation ontwikkelden zich van losse overlegfora tot platforms met concrete ambities en uitvoerbare agenda’s. Discussies over alternatieven voor de dollar, gezamenlijke energieprojecten, infrastructuurfinanciering en digitale betalingssystemen kregen institutionele vorm. Wat lange tijd werd weggezet als symbolische tegenmacht, begon zich te manifesteren als een functionele parallelle orde.
Belangrijk was dat deze structuren niet primair ideologisch waren, maar pragmatisch. Ze boden staten een uitweg uit afhankelijkheid van westerse financiële systemen, sanctiemechanismen en veiligheidskaders. Daarmee werd niet zozeer een nieuw wereldcentrum gecreëerd, maar wel een netwerk waarin macht, handel en invloed buiten westerse instituties om konden circuleren.
De zomer van 2025 maakte zo duidelijk dat de internationale orde niet langer langs één as werd hertekend, maar in meerdere lagen tegelijk. Terwijl traditionele grootmachten elkaar opnieuw ontmoetten aan onderhandelingstafels, groeide daaronder een wereld waarin alternatieve structuren niet langer in de schaduw opereerden, maar een eigen zwaartekracht ontwikkelden.
Oktober tot December: De Diplomatieke Eindstrijd en de Prijs van Vrede
De laatste maanden van 2025 stonden in het teken van diplomatieke urgentie en strategische nervositeit. Europese Unie, die gedurende het jaar had ervaren dat afhankelijkheid geen strategie is, besloot tot een historisch gebaar: een gezamenlijke lening van 90 miljard euro aan Oekraïne. Het besluit was ongekend in omvang en symboliek. Voor het eerst werd financiële solidariteit op deze schaal ingezet als geopolitiek instrument, bedoeld om Oekraïne operationeel overeind te houden in een fase waarin Amerikaanse steun minder vanzelfsprekend was geworden.
Tegelijkertijd legde de lening de interne spanningen binnen de Unie bloot. Voor sommige lidstaten was zij een noodzakelijke investering in Europese veiligheid; voor anderen een riskante gok zonder helder einddoel. De discussie ging niet alleen over geld, maar over de fundamentele vraag of Europa bereid was langdurige strategische verantwoordelijkheid te dragen zonder harde Amerikaanse garanties. Solidariteit en onzekerheid bleken twee kanten van dezelfde medaille.
Parallel hieraan intensiveerden diplomatieke inspanningen om het conflict te beheersen. In december vonden in Miami gesprekken plaats tussen Amerikaanse en Russische diplomaten. De toon werd door betrokkenen omschreven als zakelijk en constructief, maar de inhoud bleef fundamenteel vastgelopen. Rusland weigerde afstand te doen van territoriale winsten die het als strategisch noodzakelijk beschouwde. Oekraïne wilde noch kon formeel instemmen met verlies van soeverein grondgebied zonder zijn eigen legitimiteit te ondermijnen.
De Verenigde Staten drongen aan op de-escalatie en beheersbaarheid van het conflict, ingegeven door bredere mondiale prioriteiten en binnenlandse druk. Europa daarentegen legde de nadruk op veiligheidsgaranties en institutionele borging, uit vrees dat een halfslachtig akkoord slechts een tijdelijke pauze zou creëren. De gesprekken maakten duidelijk dat diplomatieke vooruitgang mogelijk was, maar dat vrede nog altijd botste op onverenigbare kernbelangen.
Buiten Europa bleef het internationale landschap fragiel. Het Midden-Oosten herstelde slechts oppervlakkig van de confrontatie eerder dat jaar; structurele spanningen bleven intact. Taiwan en de Zuid-Chinese Zee bleven functioneren als tikkende tijdbommen binnen een Aziatisch machtsevenwicht dat steeds minder door afschrikking alleen werd gestabiliseerd. Elk incident, hoe klein ook, droeg het risico van kettingreacties.
Door al deze dossiers heen liep een stille maar krachtige onderstroom: de versnelde opkomst van kunstmatige intelligentie, cyberoorlog en technologische afhankelijkheid. Staten investeerden massaal in AI-gestuurde militaire systemen, informatiebeïnvloeding en digitale infrastructuur, vaak sneller dan internationale normen zich konden ontwikkelen. Macht werd niet alleen gemeten in tanks en raketten, maar in data, algoritmen en controle over kritieke technologieën. Deze dimensie van conflict bleef grotendeels onzichtbaar voor het publiek, maar vormde een bepalende factor in strategische besluitvorming.
Aan het einde van 2025 bestond er geen vrede, maar wel een glimp van diplomatie. Die glimp bood ruimte voor beheersing, niet voor oplossing. Juist daarin school het gevaar: dat stabiliteit werd verward met rechtvaardigheid, en dat de internationale gemeenschap zich langzaam verzoende met een wereld waarin agressie loont en grenzen met geweld kunnen worden aangepast. 2025 eindigde niet in chaos, maar in een ongemakkelijke tussenfase – een wereld die wist dat zij kwetsbaarder was geworden, maar nog niet had besloten hoe zij daarmee moest leven.
Technologie, AI en de Nieuwe Industriële Oorlog
Als er één domein was waarin 2025 niet slechts een verschuiving maar een explosie plaatsvond, dan was het kunstmatige intelligentie. Waar eerdere jaren vooral gedomineerd werden door theoretische discussies over regulering, ethiek en innovatie, was 2025 het jaar waarin AI zich vestigde als geopolitiek instrument. Niet langer een sector of industrie, maar een strategische dimensie van wereldmacht.
De AI-doorbraken van 2025 creëerden een nieuw strijdtoneel waarin toegang tot rekenkracht, chips, data en talent net zo belangrijk werd als tanks, olievelden of grondgebieden. Het internationale systeem ontdekte dat wie het algoritme beheerst, straks de orde bepaalt. In Washington, Beijing, Brussel en zelfs in kleinere staten begon het besef door te dringen dat technologische onafhankelijkheid gelijk staat aan nationale soevereiniteit.
De AI-race als geopolitiek veldslag
De Verenigde Staten en China domineerden deze race. Washington richtte zich op het behoud van technologische hegemonie en het beschermen van chiptoeleveringsketens via exportbeperkingen en investeringen in binnenlandse productie. China reageerde met recordinvesteringen in nationale AI-labs en staatsgefinancierde infrastructuur voor supercomputing. Beide machten zagen AI niet langer als sector, maar als fundament voor:
- militaire autonomie
- economische dominantie
- sociale controle
- cybercapaciteit
- industriële productie
De wereld merkte dat AI niet alleen een economisch wapen was, maar een politiek instrument dat nationale veiligheid, diplomatie en industrie definieert.
Europa: afhankelijkheid en ambities tegelijk
Voor Europa werd 2025 een confronterend jaar. Het continent dat zichzelf lange tijd zag als technologische speler, werd geconfronteerd met zijn afhankelijkheid. De EU sprak over digitale soevereiniteit, maar moest erkennen dat het niet over eigen cloud-infrastructuur, niet over nationale chipproductie, en nauwelijks over grote AI-modellen beschikte.
De afhankelijkheid van Amerikaanse platforms en Chinese infrastructuur werd een existentiële uitdaging. Europa stond voor de keuze: óf investeren en inhalen, óf accepteren dat het een digitale vazal wordt van andere machten.
Nederland: van klein land tot strategische spil
Binnen die Europese context speelde Nederland een hoofdrol die het zelf niet had voorzien. ASML in Veldhoven, symbool van Nederlandse degelijkheid en technologische rust, werd in 2025 opnieuw het middelpunt van de mondiale chip-oorlog. Het bedrijf beheerst de productie van EUV-machines die essentieel zijn voor de meest geavanceerde chips.
Washington drong aan op beperkingen. Beijing zocht toegang. Europa wilde autonomie.
ASML werd geen bedrijf, maar een strategisch bezit.
Tegelijkertijd werd Nexperia — het Chinese-Nederlandse chipbedrijf — het toneel van een geopolitieke botsing. De overname- en veiligheidsdiscussies in Nederland en Europa toonden hoe technologie niet langer een economische kwestie is, maar nationale veiligheid. De angst dat Chinese invloed via Nexperia toegang zou geven tot kritieke infrastructuur, maakte duidelijk hoe zenuwachtig Europa is geworden.
Nederland bevond zich daarmee in een unieke positie: te klein om supermacht te zijn, maar groot genoeg in technologische infrastructuur om gewicht te hebben. Het land belichaamde de paradox van 2025:
- economisch open, strategisch kwetsbaar
- Europese speler, mondiale spil
- klein land, grote macht
Data en chips als nieuwe energiebronnen
Waar olie en gas de oorlogen en diplomatie van de 20e eeuw bepaalden, werd in 2025 zichtbaar dat:
- data de nieuwe olie is
- chips de nieuwe staalindustrie
- AI het nieuwe militair-industrieel complex
De staat die chips beheerst, bepaalt wie AI kan bouwen. De staat die data beheerst, bepaalt wat AI leert. En de staat die rekenkracht beheerst, bepaalt wie toegang heeft tot nieuwe vormen van macht.
De wereldorde van morgen: algoritmisch en industrieel
De AI-strijd tekent de wereld van morgen:
- het is geen ideologische koude oorlog
- het is geen traditionele grondgebiedsoorlog
Het is een industriële-technologische machtsstrijd waarin:
- ASML een sleutel is
- de VS de regels schrijft
- China probeert te ontsnappen
- Europa worstelt om een rol te vinden
De multipolaire wereldorde van 2025 werd niet gevormd in legerbases of conferentiezalen, maar in datacenters, chipfabrieken en R&D-labs.
Slot van dit hoofdstuk
De geopolitieke dynamiek van 2025 toont dat het volgende grote conflict niet alleen wordt uitgevochten op het slagveld of in diplomatieke salons, maar in de schaduw van serverparken, chipfabrieken en AI-labs. De strijd om Oekraïne en Taiwan gaat evenzeer over territorium als over technologie. De vraag wie de wereldorde zal vormen, is simultaan de vraag wie de toekomstige algoritmes en infrastructuren zal bezitten.
De supermacht van morgen wordt niet langer alleen gemeten in soldaten of schepen, maar in chips, data, supercomputing en AI-capaciteit. En in die strijd speelt Nederland — via ASML, via Nexperia, en via zijn open economie — een rol die veel groter is dan zijn omvang.
De Betekenis van 2025: Vier Fundamentele Verschoven Realiteiten
Wie het jaar overziet, kan niet anders dan de conclusie trekken dat 2025 het kantelpunt was waarop vier aannames definitief werden losgelaten. Ten eerste is de wereld multipolair geworden, niet als ideaal maar als feit. Ten tweede is Europa gedwongen strategisch te worden, niet uit ambitie maar uit noodzaak. Ten derde zijn technologie, energie en AI geen randterreinen van beleid meer, maar de kern van geopolitieke macht. En ten vierde zijn conflicten niet langer geïsoleerd, maar vervlochten: Oekraïne, Taiwan, Gaza en Zuid-Azië zijn schakels in één systeem van machtspolitiek.
Slotbeschouwing — 2026 en de Onzekere Nieuwe Orde
Dit brengt ons bij de cruciale vraag: wat betekent dit alles voor 2026? Het zal geen jaar worden van herstel naar het oude. De unipolaire wereld keert niet terug. De liberale orde kan niet meer gerepareerd worden. De wereld staat aan de vooravond van een nieuwe machtsdeling, maar de spelregels zijn nog niet geschreven. 2026 wordt het jaar waarin grootmachten moeten beslissen of ze de nieuwe orde samen vormgeven, of de transitie laten ontsporen.
Het risico van escalatie in Taiwan, de fragiele diplomatie in Oekraïne, de assertiviteit van BRICS, de institutionele crisis binnen NAVO en EU, en de strategische strijd om AI en grondstoffen tekenen een toekomst waarin macht niet langer vanzelfsprekend is, maar opnieuw bevochten wordt.
2025 was het jaar waarin de wereldorde kantelde. 2026 wordt het jaar waarin moet blijken of we die kanteling beheersen of erdoor worden overspoeld.
Reactie plaatsen
Reacties